Mijn naam is …
Ik hou van namen. Ze herbergen zoveel lagen en informatie. Gegeven door onze ouders, adoptieouders of pleegouders, beïnvloed door culturen, religies, landen, gebeurtenissen en families. Het boeiende aan namen vind ik dat er zoveel te ontdekken, of soms te herontdekken, valt.
“Ik was vijf, toen ben ik met mijn familie naar Nederland gekomen. We zijn gevlucht uit Iran.”
Ze vertelt het vrij droog. Babbelt rustig door en somt op hoe haar leven verder is gegaan. Hoe het nu met haar is, waarom ze hier zit. Iets met zichzelf wegcijferen en geen ruimte innemen.
In haar mailadres staat een Nederlandse naam. Ik vraag haar hoe ze werkelijk heet.
Dan wordt ze stil.
“Die spreek ik eigenlijk nooit uit,” zegt ze zachtjes. “Ik heb mijn voornaam wat verbouwd zodat het makkelijker is voor Nederlanders en ik als kind kon meedoen.”
Ik nodig haar uit om haar voor- en achternaam in haar eigen taal uit te spreken. Ze kijkt me aan met een enigszins vertwijfelde blik. Dan komen de woorden uit haar mond, heel zorgvuldig. Het klinkt prachtig en bezield.
Haar hele lichaam doet mee in het uitspreken, het komt vanuit een diepere plek. De toon is anders, de uitdrukking in haar ogen is van een serene rust.
Ze merkt het zelf ook.
Dan vertelt ze kort iets over de streek en de mensen waar ze vandaan komt, wederom vrij mededelend. De beweging van voelen naar vertellen is snel gemaakt. Zo snel dat ze vergeet te voelen. Dit herkent ze, het relateert aan haar vraag waarom ze hier zit.
“Kun je je volledige naam in je eigen taal en geschrift opschrijven?” vraag ik haar.
“Oeh, dat weet ik niet. Dat is zo lang geleden.” Toch neemt ze het blanco papier aan en begint aan de rechterkant. Haar spiergeheugen neemt het over. Binnen enkele seconden staat er een naam in het Farsi. Haar werkelijke naam.
We blijven er allebei een tijdje, in stilte, naar kijken.
Het papier spreekt. Het spreekt over grond, over voorouders, over geleden pijn in alle generaties, over wat is achtergelaten, over de prijs van aanpassing. Het spreekt over niet daar zijn en niet hier zijn. Over gespletenheid. Het spreekt over moedige vrouwen en mannen. Het spreekt, voorbij woorden. Haar naam. Alles is aanwezig in haar naam.
Heel zachtjes en geëmotioneerd begint ze te vertellen.
“Ik heb niet in de gaten gehad hoeveel ik van mezelf heb weggegeven en achtergelaten. In mijn huis vind je ook bijna niets van mijn thuisland. Het gekke is dat mijn dochter juist heel hard het tegenovergestelde doet. Ze wil een ketting met haar naam in het Farsi en ze stelt veel vragen.”
“Ah ja… dat is wat kinderen doen,” leg ik haar uit. “Kinderen werken onbewust hard voor hun ouders. Ze vullen gaten op. Proberen, veelal onbewust, datgene weer boven het kleed te krijgen wat uit overleving, angst, of aanpassing eronder is gestopt. Zij hoeven niet meer op die manier te overleven zoals de generaties voor hen, maar voelen wel dat er iets niet heel is, of niet mee doet.”
“Ja…” zegt ze. “Ik zie het. Ik voel het.”
We praten nog wat langer door.
Als we afscheid nemen bij de deur probeer ik haar Iraanse naam uit te spreken. Uiteraard lukt me dat niet goed en word ik liefdevol gecorrigeerd. Er verschijnt een glimlach op haar gezicht als ze zichzelf hoort en de zon tegemoet treedt.